zoeken

Condensatie

Bij oppervlaktecondensatie condenseert vocht uit de lucht op een koud oppervlak. De luchttemperatuur daalt als gevolg van een koud bouwdeel. Hierdoor kan er minder vocht in de lucht worden opgenomen waardoor er condensatie kan ontstaan. Op het moment dat de relatieve vochtigheid 100% wordt dan vindt er condensatie plaats (zie ook figuur 1). De temperatuur waarbij condensatie plaatsvindt wordt de dauwpuntstemperatuur genoemd.

Het dauwpunt hangt af van de temperatuur van de ruimte en van de luchtvochtigheid in de ruimte (zie ook figuur 3). Een hoge relatieve vochtigheid met een hoge ruimtetemperatuur leidt tot een hoger dauwpunt. Bij een hoog dauwpunt zal er eerder oppervlaktecondensatie ontstaan.

Een relatieve vochtigheid van circa 50% is gebruikelijk in een ruimte van circa 20°C. Daarbij hoort een dauwpuntstemperatuur van 9,3°C. In ruimten met een hogere vochtbelasting, zoals de badkamer, wordt een relatieve vochtigheid van meer dan 60% gemeten. Als gevolg daarvan ligt het dauwpunt hoger en is het risico op condensatie groter. Bij een relatieve vochtigheid van 60% en een ruimtetemperatuur van 20°C ligt het dauwpunt al bij 12°C. Dat het dauwpunt sterk afhankelijk is van de relatieve vochtigheid blijkt goed uit de helling van de lijn in figuur 3: een kleine verhoging van de relatieve vochtigheid leidt tot een aanzienlijke verhoging van het dauwpuntstemperatuur. Dit heeft een duidelijke verhoging van het risico op condensatie ter plaatse van koude oppervlakken tot gevolg.

Voorbeeld: Een kast voor een buitengevel; de vochtige lucht tussen wand en kast kan condenseren door een lage luchtstroom en dus beperkte opwarming van de gevel vanuit de ruimte. Op een zelfde manier kan condensatie ontstaan tussen een gordijn en een raam.

Inwendige condensatie

Met een dampspanningsberekening volgens de Glaser-methode uit NEN-EN-ISO 13788 kan naast het gevaar op inwendige condensatie ook de hoeveelheid condensatie worden beoordeeld.

Uitgangspunt in een berekening volgens de Glaser-methode is een stationaire situatie. Daarbij wordt de invloed van vocht op de warmtegeleidingscoëfficiënt niet beschouwd. De analyse volgens de Glaser-methode heeft betrekking op de vergelijking tussen de grensvlakken (binnen en buiten) van een constructie.